Gewoon begaafd

Sonja Hoving-Huizing | meer informatie...

Verhalen van ouders van hoogbegaafde kinderen

´Daag je kind uit, stimuleer en enthousiasmeer het. Maar geniet bovenal van de verwondermomenten die je kind je geeft.´

In dit boek staan praktijkverhalen van ouders over het leven van en met hun (hoog)begaafde kind(eren) centraal. Ouders beschrijven de vaak razendsnelle ontwikkeling van hun kind, het onderpresteren op school en de zoektocht naar een juiste begeleiding. Maar ook humor, vindingrijkheid en creatieve taalvondsten van hun intelligente kroost komen aan bod. Het leven met hoogbegaafde kinderen is immers alles behalve saai, aldus een van de geïnterviewde vaders.
Naast de praktijkverhalen bevat het boek een overzicht van wetenschappelijke inzichten over (hoog)begaafdheid en een lijst met instanties en verenigingen waar men terecht kan voor onderzoek en vragen.
Samensteller van het boek, Sonja Hoving-Huizing, runt een praktijk voor begeleiding van (hoog)begaafden en is zelf moeder van vier hoogbegaafde kinderen. Ook is ze al meer dan tien jaar actief in diverse belangen- en ouderverenigingen voor (hoog)begaafden.
Gewoon begaafd? Verhalen van ouders van (hoog)begaafde kinderen is bedoeld voor ouders, leerkrachten, hulpverleners en ieder ander die met deze kinderen werkt of omgaat. De luchtige toon en praktische tips van ervaren ouders maken het tot een prettig leesbaar geheel.

Verschenen juni 2008
Gebrocheerd, 144 pagina's
ISBN: 9789079603015
Prijs: € 15,95

Dit boek bestellen?

Wilt u dit boek bestellen druk dan op de knop 'bestellen'. Uw bestelling loop via bol.com.

Recencies

In de nieuwsbrief winter 2009/2010 van Choochem

Vereniging ter ondersteuning van hoogbegaafde christenen

Boekbespreking: Gewoon begaafd?

(door Willemien- Schollaart-Vogel)

Voor veel ouders van (hoog-)begaafde kinderen zal het lezen van dit boek een feest van herkenning zijn. Dit boek staat vol met verhalen van ouders die zowel de vreugde als de worstelingen rond het opvoeden van hoogbegaafde kinderen willen delen.

Opvallend is dat veel ouders beschrijven hoe zij al vroeg hebben gesignaleerd dat hun kind zich sneller ontwikkelde dan leeftijdsgenootjes en hoe zij prima in staat waren hier op een adequate manier op in te spelen, soms met hulp van begeleiding van buiten af. Vaak vielen pas later de puzzelstukjes op hun plaats, op het moment dat hun kind werd getest en als hoogbegaafd werd gediagnostiseerd.

Ook valt op hoe belangrijk het is dat er op school aandacht en ruimte is voor deze kinderen. Voorbeelden te over in dit boek van zowel zeer positieve als zeer negatieve ervaringen van ouders met scholen.

De titel van het boek is treffend voor de wens die veel ouders hebben: een kind dat gewoon zichzelf kan zijn, met de unieke talenten en gaven die hij of zij heeft gekregen. “Gewoon begaafd?” is een aanrader voor iedere ouder die op zoek is naar een stukje herkenning en steun bij het opvoeden van hun (hoog-)begaafd kind.

Willemien Schollaart-Vogel is docente en orthopedagoge en heeft haar eigen adviesbureau Dotado. Zij richt zich op ouders van (hoog-)begaafde kinderen en hun leerkrachten.

Een verhaal uit het boek Gewoon begaafd

Wanneer makkelijk, moeilijk wordt
Half december 1996 wordt onze tweede zoon Robbert geboren. De bevalling verloopt moeizaam want hij wil mijn buik niet uit. Maar hij moet, want de vliezen zijn gebroken. Robbert zet zich schrap onder mijn rechterribben en de gynaecoloog heeft de grootste moeite om hem eruit te krijgen. Achteraf dacht ik wel eens dat hij nog niet klaar was voor het leven op aarde…
Direct na zijn geboorte gaat hij de couveuse in vanwege dreigend infectiegevaar. Robbert ligt daar met de uitstraling van een volwassen vent met zijn arm relaxed boven zijn hoofd. Als hij naar je kijkt, lijkt hij een oude en wijze blik te hebben. Maandenlang draag ik hem in een draagzak bij me. Dan is hij de rust zelve, maar zonder draagzak is hij niet stil te krijgen. Op een voedingsallergie na, verloopt zijn ontwikkeling heel voorspoedig. Robbert brabbelt tot ongeveer zes maanden en begint daarna echte woorden te zeggen. Hij kruipt slechts één keer
voordat hij met tien maanden los loopt. Nog voor zijn eerste verjaardag kan hij ‘Zie ginds komt de stoomboot’ helemaal zingen.
En als hij ongeveer anderhalf is, begint hij mijn taalfouten te corrigeren:‘Nee, mama, spóórboom’ in plaats van mijn slágboom.
Hij lijkt alles in één keer te kunnen en begrijpt erg veel.Robbert observeert hoe een ander iets doet en imiteert het dan feilloos. Het is geen moeilijk kind maar wel heel aanhankelijk en kwetsbaar. Hij houdt niet van ruzie en moet snel huilen. De combinatie met zijn anderhalf jaar oudere broer is niet altijd even gelukkig. Robbert kan – bijna – alles net zo goed en dat levert veel ruzie en frustratie op. De agressie van zijn broer vind ik, ook al begrijp ik waar het vandaan komt, soms moeilijk te hanteren.
Als Robbert iets ouder is, gaat hij naar de peuterspeelzaal, maar echt leuk vindt hij het daar niet. Drie maanden voor zijn vierde verjaardag verhuizen we, en omdat ik het vervelend vind om hem voor een paar maanden naar een nieuwe speelzaal te brengen, blijft hij thuis. Wel regel ik dat hij een maand eerder naar de basisschool mag, want hij verveelt zich ontzettend.
Voordat hij naar school gaat, heeft hij zichzelf al woorden leren lezen. Ook tellen en sommetjes maken, kan hij al aardig.
School blijkt geen succes. De leerkracht let niet op hem, Robbert is verlegen en vindt geen aansluiting bij de anderen. Na een maand haal ik hem van school af en gaan we – ook met onze oudste zoon – naar een andere school. Dit is een soort internationale school, waar naast de reguliere lessen ook, vanaf groep 1, elke dag een native speaker Engelse les geeft.
Groep 1 is geen lolletje voor Robbert. De juf is dominant en gauw boos. Robbert is een dromer en luistert niet goed naar haar.
Hij is soms bang voor de juf en plast weer in zijn broek terwijl hij vanaf tweeënhalf jaar van de ene op de andere dag overdag en ’s nachts zindelijk was. Robbert gaat vaak naast zijn stoel zitten en gooit zijn beker om. Zijn juf vindt hem een ‘verstrooide professor’ en klaagt dat hij zich niet goed kan concentreren en niet goed luistert. Ik snap er niets van en herken het niet, ik vond hem juist altijd zo’n makkelijk kind!
Later begrijp ik dat het niet klikte tussen die twee en dat ze hem geen uitdaging bood. Robbert moest een gemiddeld kind zijn en precies doen wat zij hem opdroeg: plaatjes opplakken op de plaats waar zij ze op het papier had neergelegd. Er was absoluut geen ruimte voor eigen inbreng. Bovendien had Robbert verwacht te leren lezen en schrijven in plaats van letters te moeten stempelen.
Toch mag hij na een halfjaar door naar groep 2. Hier treft hij een verstandige en begripvolle juf. Zij laat ons weten dat zij nog nooit zo’n kind als Robbert in de klas heeft gehad. Ze vertelt dat hij tegen een klasgenoot die de kantjes er vanaf loopt met opruimen zegt: ‘Ik wil niet met jou spelen, want jij helpt nooit mee met opruimen na afloop.’ En hij maakt opmerkingen in de kring die de andere kinderen vaak niet begrijpen. De juf vindt dat Robbert eigenlijk door zou moeten naar groep 3 omdat hij erg makkelijk leert, maar ze twijfelt. Hij is sociaal-emotioneel nog erg jong; hij huilt gemakkelijk. Wij twijfelen ook, hij is inderdaad erg jong. We besluiten hem te laten testen bij een gespecialiseerde kinderpsychologe. Volgens het rapport dat wij krijgen, is Robbert hoogbegaafd met een zeer hoog IQ ( 145). Op drie onderdelen scoort hij een plafondscore. Dat wil zeggen dat de test die voor kinderen tot en met elf jaar is – niet meer toereikend is op die onderdelen.

Aan het eind van het jaar beslissen we hem door te laten gaan naar de volgende groep. In groep 3 geeft Robbert aan dat hij school niet leuk vindt. Een klasgenoot is opdringerig en wil altijd met hem spelen. Robbert wil hem niet kwetsen maar wordt er erg ongelukkig van. Zijn schoolprestaties in de klas zijn niet zo goed, op de Cito-toetsen scoort hij wel uitstekend. Robbert wil niet meer naar school, hij klaagt over buikpijn en huilt veel. De leerkracht ziet niet dat hij moeilijkere, uitdagendere lesstof moet aanbieden. Robbert gaat onderpresteren. Na een gesprek op school spreken we af dat Robbert door hen doorgetest zal worden, dat de leerstof zal worden gecomprimeerd en dat hem verrijking aangeboden zal worden in de vorm van het maken van werkstukjes samen met een andere slimme jongen. Ook mag Robbert er Italiaans bij gaan doen. De werkstukjes en het Italiaans zijn een schot in de roos, maar het doortesten en comprimeren van de lesstof lukt niet erg.
De school doet er te weinig aan. We moeten er steeds achteraan. In groep 4 treft hij een meester die niet gelooft in ‘hoogbegaafdheid’, en dat straalt hij uit naar Robbert, die heel gevoelig is voor dit soort signalen. Aan het einde van groep 3 zat Robbert in AVI 6 met lezen, maar tot onze stomme verbazing moet hij van zijn meester terug naar AVI 3. Na herhaald aandringen van mij gaat de meester Robbert doortesten in de AVI’s. Tot meesters grote verbazing blijkt Robbert aan het einde van de week al in AVI 7 te zitten! Ook over het rekenen blijft de meester zeggen dat hij heus nog wel foutjes maakt in zijn rekenwerk, met andere woorden: hij zal wel niet hoogbegaafd zijn. Hierdoor denkt Robbert dat hij zal blijven zitten als hij één fout maakt. Hij is erg ongelukkig, maar het is moeilijk tot hem door te dringen en wij kunnen hem nauwelijks helpen.
In het begin van groep 5 lijkt alles fantastisch te gaan. De nieuwe meester zegt, ondanks Robberts onderpresteren, zijn begaafdheid te herkennen, vooral tijdens de lessen moraal. Maar Robberts trage werktempo keert zich halverwege het jaar tegen hem. Het werk dat ingedikt en versneld zou worden aangeboden, wordt – zonder overleg – weer in zijn geheel onderwezen. Dit heeft tot gevolg dat Robbert geen tijd meer over heeft voor de moeilijkere, leukere werkjes. Hoewel wij elke drie maanden overleg hebben met de meester vindt hij het niet nodig om ons hierover in te lichten.

Vanaf februari gaat het bergafwaarts met onze zoon. Hij wordt gepest, heeft hoofdpijn, buikpijn, obstipatie (waarvoor hij een kinderarts moet bezoeken), praat over dood willen gaan, wil niet naar school en zijn prestaties gaan omlaag. Hierdoor krijgt hij nog minder uitdagende werkjes. Dat dit alles het gevolg is van het terugdraaien van onze afspraken, horen wij pas in juni bij de overdracht aan de volgende juf. Wij zijn razend en bang dat Robbert nog depressiever zal worden. Ten einde raad besluiten we een deskundige in hoogbegaafdheid (HB-deskundige) in te schakelen om Robbert te helpen. Gelukkig klikt het goed en weet zij hem zo te begeleiden dat hij zijn volgende leerjaar toch aankan.
In de zomer heeft Robbert eindelijk een echte vriend (ook hoogbegaafd) gevonden bij hockey. Ook op school gaat het weer de goede kant op. In groep 6 en 7 krijgt hij meer uitdaging en gaat hij met plezier naar school. Hij mag met moeilijke rekenmaterialen aan de slag die de juf uit België haalt en hij doet veel interessante werkstukopdrachten. Zijn zelfvertrouwen groeit. Aan het einde van groep 7 verhuizen we naar een ander deel van Nederland en moet Robbert naar een gewone school. De vraag is: wordt het groep 8 of de brugklas? Een onderzoek van de Onderwijsraad wijst uit dat in Nederland in groep 8 maar een halfjaar wordt gewerkt (tot de eind-Cito in februari) en dat er daarna vooral leuke dingen worden gedaan zoals voorbereidingen voor een musical en een schoolkamp. Volgens onze HBdeskundige is de kans groot dat Robbert weer gaat onderpresteren als hij opnieuw start in een groep kinderen die elkaar allang kent. Het lijkt haar beter om Robbert naar het voortgezet onderwijs te sturen.
Bovendien wilden leerkrachten hem op de basisschool al eerder nog een groep laten overslaan, maar hij was daar op dat moment sociaal-emotioneel nog niet aan toe. Nu, eind groep 7, zit hij juist erg goed in zijn vel en denkt zij dat hij het aan kan. De juf van groep 7 is het niet met onze deskundige eens, omdat zij vindt dat hij dan de verdieping van de werkwoordspelling in groep 8 mist. Op het sociaal-emotionele vlak vindt de juf het voor onze zoon ook geen goede keuze. Robbert heeft zelf allang bedacht dat hij naar de brugklas wil.
Wij beleven moeilijke momenten: wat moeten we doen? Ons kind van 10 jaar naar de middelbare school sturen? Of naar een gevormde groep 8 met het risico op totale apathie omdat hij niets te doen heeft? Wij besluiten met de directie van een categoriaal gymnasium te gaan praten om te horen wat zij ervan vindt. Het wordt een goed gesprek waarin alle voors en tegens de revue passeren.
Conclusie is dat de school Robbert de kans gunt om het te proberen, en mocht hij het jaar niet halen, dan mag hij het gewoon overdoen. Wij zien er tegenop om hem volgend jaar 7 kilometer te laten fietsen naar het gymnasium met een zware rugzak en veel huiswerk, maar groep 8 lijkt ons ook echt geen goed plan. Een voordeel is dat zijn oudere broer naar dezelfde school gaat, dan kennen ze elkaar en kunnen ze vaak samen fietsen. Robbert is vastbesloten naar het gymnasium te gaan, ondanks alle doemscenario’s die we hem schetsen, dus hakken we de knoop door: HIJ GAAT!

Na de zomervakantie gaat Robbert naar de nieuwe school.Het is even wennen, maar alles verloopt heel voorspoedig. Na een paar weken heeft hij vijf vrienden – zoveel heeft hij er nog nooit gehad! – en komt hij met glinsterende ogen thuis. Het leren ‘leren’ is wel lastig. Robbert vindt dat de school de stof verkeerd toetst. Hij zegt dat ze niet begrijpen hoe hij leert en hij ziet het nut niet in van hun methodes. We leggen hem uit dat hij nooit iets heeft hoeven te doen, en dat hij nu echt sommige dingen uit zijn hoofd moet leren.

Voordat hij hier oefening in krijgt, gaat er een aantal dingen goed mis: hij breekt zijn neus bij het hockeyen en tijdens het herstel wordt hij een paar keer ziek. Hierdoor mist hij veel schooldagen en moet hij heel veel inhalen. In de periode erna heeft hij vaak hoofdpijn.
Het blijkt dat hij ook een hersenschudding heeft opgelopen toen hij zijn neus brak, en deze is niet onderkend en dus verwaarloosd.

Door alle problemen is Robbert bijna een halfjaar weinig op school. Hij verliest de aansluiting met zijn vrienden en met de lesstof.
Door de hoofdpijn en de gemiste lessen haalt hij keer op keer onvoldoendes, alle inspanningen ten spijt. Hij ontwikkelt een enorme faalangst en hij heeft uiteindelijk nog maar één vriend over. Robbert zegt dat hij zich soms heel jong voelt, maar dat hij de andere kinderen uit zijn klas vaak erg kinderachtig vindt. Ze lachen om de leerkrachten, en hij houdt daar niet van. Natuurlijk vragen wij ons regelmatig af of het besluit om de brugklas te gaan doen wel een juiste beslissing was! Als Robbert fysiek is opgeknapt, meldt zijn mentor dat hij het jaar beter kan overdoen.

Dat lijkt ons ook een goed idee. Hij is nog jong, elf jaar inmiddels. Robbert stort helemaal in wanneer hij het nieuws hoort. Hij voelt zich verloren, wilde net een inhaalspurt gaan maken en vraagt wat hij dan nog moet doen de rest van het jaar. Hij ziet de zin van het leven niet meer en hij heeft het gevoel dat hij heeft gefaald, ondanks dat wij hem bezweren dat het niet zo is. Ten einde raad gaan we naar de kinderarts die hem heeft behandeld voor zijn hersenschudding. Dit is een sympathieke en wijze man, voor wie Robbert respect heeft. De arts maakt hem duidelijk dat het jaar overdoen geen bewijs van falen is en dat hij maar eens moet gaan genieten van leuke dingen. Blijven zitten zal hem waarschijnlijk veel goed doen.

Na het gesprek is er iets veranderd. Robbert besluit het jaar over te doen. We halen opgelucht adem. Vanaf nu gaat alles weer wat beter. We hebben een vrolijk en ontspannen kind wiens cijfers langzaam omhoog gaan. Het laatste deel van het eerste jaar kan hij gaan besteden aan het leren leren… want daar ziet hij nog steeds het nut niet zo erg van in.

Recensie

Zo’n 2,5 procent van de Nederlanders schijnt hoogbegaafd te zijn. Wie tot dat percentage behoort, bezit hoge intellectuele capaciteiten en de motivatie en creativiteit om die ook echt te gebruiken. Toch levert hoogbegaafdheid vooral in de kinderjaren eveneens frustratie op. Door onbegrip en onbekendheid met het fenomeen bij ouders en leraren kan een hoogbegaafd kind de neiging krijgen zich terug te trekken of zijn talenten weg te stoppen, met alle nadelige sociale gevolgen van dien. In dit boek laat de samenstelster ouders van hoogbegaafde kinderen aan het woord en tref je een overzicht aan van wetenschappelijke inzichten. Handig is ook de lijst van instanties en verenigingen waar men terecht kan voor onderzoek en vragen. Een, zeker in deze tijd, meer dan welkom boek.

Bron: Paravisie, juni 2009 rubriek voor ‘oog & oor’

www.jongezinnen.nl

www.jongegezinnen.nl/jongegezinnen/tweetmdriejaar/ontwikkeling/artikel3/?ArtArtikels={80FCD8DF-3190-4D39-9BFD-03ACAD12D034}

Naar boven